Ik had mee kunnen werken, daadkracht volgens protocol kunnen instuderen. Mezelf zou ik aan intelligente analyse onderwerpen, even vivisectie plegen pootjes vastgebonden op een plank, met pincet de losse onderdelen duiden identiteitsproblemen, matige emotie regulatie, theatrale trekken. Een casus ontsproten aan beslisbomen en het wonder der classificatie stapt geruisloos door licht dat op wasgoed valt, voelt geen verlangen op de tast naar sporen te zoeken, het droomt niet over hoe moedige vissen je uit het wrak bevrijdden en soms laten leegte en wanhoop zich effectief verjagen met nieuwe schoenen.
Ik dacht aan ruisend riet, hoorde de waterkant zag iemand aan mijn tafel zitten, minzaam de brief lezen die ik je schreef de verveling onder de vraag, wanneer het nou eens over was drijvend als drab op water ijzige sliblaag onderin, er klonken verschillende diagnoses, genoeg om een lijk mee in te vriezen.
Dood neemt gezichten af, behoedzaam tussen twee handen op een ochtend keek ik recht in mijn dromerige poppenkop ze liet mijn huid los in de nacht dat je verdween, plastic holte vol behendig behaagziek zaagsel haar serene glimlach rood in wit bestoven oppervlak, waar je alles in kunt lezen.
Niet langer. De zee ruimde je lichaam en jij bent hier deze plek vol geluiden van toen we nog zwommen zo het water in sprongen, als dat geesten zijn mij dat een zottin maakt luisterend naar een oud hart ontwakende stemmen, dan is dat zo.
2017
Nr.
Titel
Tekst
1
10022
Blijven
Top 100
Blijven
Er groeien schubben op dit been, schuldig geheugen van wat onder water moest blijven een glibberig dier dat ’s nachts van het bed glijdt om nog één keer naar jou te kijken.
Vergeten. Kon het maar chirurgisch met een scalpel weefsel laten wijken handen die zakelijk spartelend vlees verwijderen in naam van stabiliteit, wildgroei die wraak neemt met één achterblijvende cel de kans op overleven is gunstig als ik zwijg en mijn best doe daar is over nagedacht
De liefde kijkt toe terwijl ik met een schort voor mijn onderarmen schrob dus dit is het, zeg ik.
Desinfecteren bij de wastafel, hopen dat het wegblijft in een hemd verweven met de man die je hier naar toe bracht de stof ruikend naar kind, zijn armen om je middel als hij weg is, hij houdt van je om je vissenhuid.
Dit is mijn huis.
2
10049
Kaal
Top 100
Kaal
Verderop verzuipen we onze zintuigen bewegen onze lichamen soepel radiografisch bestuurbaar tussen de zware jongens, dansen in een tollende ruimte waar sneeuw onder zwart licht op je schouders gloeit, ik de angst in je veren voel hoop als dauwdruppels op de wanden ligt het ritme bokt achter onze slapen. Braken doe ik in een hoek de plee zoiets van onbegaanbaar, mijn jas raakte zoek je gezicht vloog tegen het raam te pletter iemand zag een vlerk uit je t shirt steken. . Hier komen we tevoorschijn, twee schuwe dieren in een slapende straat. Rousseau die schreef over vrijheid hangt in de etalage maar wij weten het niet, onderkoelde anesthesisten die zich overal uit lullen onze geheimen ontkoppeld in de hyperstilte, niets en dit, nu. Ik denk aan de open plek in je haar een oog van huid waarop niets wilde groeien de pet die je droeg als de zon fel was.
Wil je mijn jas vraag jij, voor de weg naar huis het is niet ver zeg ik en hoor de stadsvogels al vervloekte wezens ze overleefden alles, vliegen met gerafelde vleugels puisten of één poot wat als we blijven zwijgen op een dag onvindbaar zijn.
Kou masseert mijn armen, mijn fiets wankelt aan de hand die in gedachten je wang, het spoor van bloed op je lippen streelt.